Artikelen uitgelicht

Vanuit de ADOC-database van wetenschappelijke artikelen worden de publicaties die voor de praktijk van het meeste belang zijn kort belicht. De publicaties zijn onderverdeeld in rubrieken. Het format wordt op termijn nog gewijzigd, zodat onderwerpen makkelijker terug te vinden zijn.

Effecten van tehuizen

Effecten van tehuisopvoeding, overzicht van onderzoek. De Monograph of the Society for Research in Child Development heeft een special issue uitgegeven met een indrukwekkende samenvatting van wat momenteel vanuit wetenschappelijk onderzoek bekend is over effecten van tehuisopvoeding en de mogelijkheden van herstel hierna. Verder wordt aangegeven waar verder onderzoek nodig is en wat voor consequenties deze kennis heeft voor de praktijk. Doordat het tijdschrift zo’n compact en volledig overzicht geeft, is het zeer informatief om te lezen. Een samenvatting van de belangrijkste punten uit de Monograph is te vinden in het artikel ‘The development and care of institutionally reared children', een samenvatting van de Leidse Conferentie over de Ontwikkeling en Zorg voor Kinderen zonder permanente Ouders, georganiseerd in 2012 Lees verder (Ref. Bakermans-Kranenburg 2012).

Tehuis en pleegkinderen in China. Uit een onderzoek naar geadopteerde kinderen uit China bleek dat kinderen die in in China in pleeggezinnen waren geweest of alleen in een tehuis het meest verschilden in responsiviteit: de responsiviteit van de voormalige pleegkinderen nam veel sterker toe dan de responsiviteit van de kinderen die in alleen in een tehuis hadden gewoond. De gehechtheid van de eerste groep was bijna vergelijkbaar met Nederlandse kinderen, bij de tehuiskinderen werd minder veilige gehechtheid gevonden. (ref. van den Dries 2012). Leeftijdsgroepen. Uit een onderzoek in twee tehuizen in Sint Petersburg bleek dat het wijdverspreide gebruik van leeftijdsgroepen in tehuizen schadelijk kan zijn voor de algemene ontwikkeling van baby’s en dreumesen, met name in de ‘betere’ tehuizen waar de verzorgers sensitieve en responsieve contacten aangaan met de kinderen. Lees verder. (Ref. Mccall 2012). 

Tehuiskinderen in Botswana Als gevolg van de HIV/AIDS pandemie zijn er ca 12 miljoen wezen in Afrika zuidelijk van de Sahara. De meeste zijn opgenomen in hun grootfamilie maar een deel is in tehuizen opgevangen. In dit onderzoek zijn interviews afgenomen met kinderen in tehuizen in Botswana om na te gaan hoe zij dit beleven. De kinderen geven aan dat voedsel, onderdak, scholing en het gevoel ergens bij te horen belangrijk zijn. Ze vertonen echter sterke ambivalentie ten aanzien van hun verzorgers en medebewoners. Ze missen hun siblings en familie en voelen zich afgesneden van hun gemeenschap (Ref. Morantz 2010).
ADHD Via inventarisatie van medicijngebruik heeft Lindblad et al. bestudeerd of ADHD meer voorkomt bij internationaal geadopteerden dan bij de algemene bevolking. Het bleek dat zowel internationaal geadopteerde meisjes (2.1 vs. 0.3% voor 10-15-jarigen) als jongens (5.3 vs. 1.5% voor 10-15-jarigen) meer ADHD-medicatie gebruikten dan de vergelijkbare algemene bevolking. Het gebruik bleek met name hoog te zijn bij geadopteerden uit Oost-Europa, het Midden-Oosten en Afrika en Latijns Amerika, waarbij kinderen uit Oost-Europa een heel hoog risico lopen. Kinderen uit andere regio’s lopen een gematigd hoger risico dan hun niet-geadopteerde leeftijdsgenoten.  De leeftijd bij de adoptie bleek ook een factor van belang (Ref. Lindblad 2010).

Boekarest vroege interventie project Verschillende publicaties zijn uitgekomen naar aanleiding van het Boekarest vroege interventie project, waarbij een vergelijking wordt gemaakt tussen kinderen die in een tehuis opgroeien en kinderen die vanuit dit tehuis in pleeggezinnen zijn opgenomen. Deze pleeggezinnen werden intensief getrained op op de ondersteuning van de kinderen. (Ref. Smyke 2009). In het onderzoek wordt gekeken in hoeverre vroege negatieve ervaringen een effect hebben op de ontwikkeling van kinderen en in hoeverre latere positieve ervaringen hierop van invloed kunnen zijn (Ref. Zeanah 2009) Uit een onderzoek naar psychiatrische aandoeningen bij de kinderen blijkt dat deze veel vaker voorkomen bij kinderen met een tehuisgeschiedenis dan bij kinderen die niet in een tehuis verbleven hebben. Wanneer de jonge kinderen uit het tehuis in pleegzorg zijn opgenomen, vermindert internaliserende problematiek significant, maar bij meisjes beduidend meer dan bij jongens (Ref. Zeanah 2010).

Executieve functies Dit is een overkoepelende term voor de cognitieve processen die andere cognitieve processen reguleren, controleren en managen. Het gaat hier om processen zoals planning, werkgeheugen, aandacht, probleem oplossing, redeneren, beheersing, mentale flexibiliteit, taak wisseling en opstarten en monitoren van acties. Goede executieve functies lijken steeds meer beschouwd te worden als beschermende factoren binnen een ongunstige omgeving. Tehuisopvoeding en executieve func ties Het onderzoek van Hostinar et al. toont een significante afname van executieve functies aan bij een slechte vroege jeugd. Cognitieve flexibiliteit, werkgeheugen en beheersing werden gemeten bij kinderen tussen de 2,5 en 4 jaar die een jaar daarvoor geadopteerd waren vanuit een weeshuis. Dit werd vergeleken met niet-geadopteerde leeftijdsgenootjes. Het bleek dat de prestaties van deze executieve functies bij de tehuiskinderen significant minder goed waren; het effect was zelfs groter dan het effect van tehuisopvoeding op IQ. Het effect bleek gekoppeld aan de mate van ontbering voorafgaand aan adoptie, aan hoe kort de kinderen binnen de geboortefamilie waren voordat ze naar het tehuis gingen en aan lagere kwaliteit van fysieke en sociale zorg in de tehuizen. Hostinar C. E., S. A. Stellern, C. Schaefer, S. M. Carlson, &  M. R. Gunnar, 2012, Associations between early life adversity and executive function in children adopted internationally from orphanages: Proceedings of the National Academy of Sciences of the United States of America, v. 109.


Ondervoeding

Maatschappelijke positie Vroege ondervoeding hangt samen met een lagere IQ-score van het adoptiekind op 7-jarige leeftijd en (in mindere mate) op 23 jaar. Het speelt echter geen rol bij het beroepsniveau van de geadopteerde. Geadopteerden met vroege ondervoeding hebben een even goede maatschappelijke positie als degenen zonder vroege ondervoeding. Andere factoren zijn ook belangrijk bij het krijgen van een goede baan, bijvoorbeeld sociale vaardigheden die geadopteerden meekrijgen vanuit hun adoptiegezin. Proefschrift C. Schoenmaker

Geboortefamilie

Vaders Ongetrouwde biologische vaders hebben vaak nauwelijks rechten wanneer de geboortemoeder uit de ouderlijke macht wordt ontzet. Sen 2012 en Watson & Cobb 2012 . Clifton 2012 laat zien dat de manier waarop de biologische vader omgaat met schaamte na een uit huis plaatsing van invloed is op het latere contact met zijn kinderen. Lees verder 

Early life stress

Strelen na geboorte Veel strelen van de jonge baby compenseert effecten van stress tijdens de zwangerschap van de moeder. Veel stress van de moeder tijdens de zwangerschap activeert het stress-systeem van de ongeboren baby. Dit is aangetoond in dierproeven, maar ook kinderen van gestreste zwangere moeders bleken 29 weken na de geboorte minder stressbestendig, angstiger en meer geneigd tot boosheid te zijn. Bij dierproeven bleek het likken en verzorgen van de rattenmoeders een dergelijk geactiveerd stresssysteem weer tot rust te brengen. Nu blijkt dat zoiets bij mensen ook werkt: strelen en knuffelen van de pasgeboren baby (gemeten op 5 en 9 weken) kan de effecten van stress tijdens de zwangerschap teniet doen. De baby’s ontwikkelen zich dan emotioneel even goed als elk ander kind ( Ref. Sharp et al. 2012).

Evacuatiestudie uit Finland. In Finland werden in de 2e Wereldoorlog veel kinderen geëvacueerd naar Denemarken en Zweden. De kinderen waren tussen twee en zes jaar oud en de evacuatie duurde gemiddeld 1,7 jaar. Deze evacuatie wordt gezien als een soort natuurlijk experiment voor het effect van een traumatische scheiding van ouders in de kindertijd. Pesonen en Raikkonen in Finland onderzoeken  hoe het deze groep kinderen is vergaan via een vergelijkende studie  met niet-geëvacueerde kinderen. Aan het onderzoek doen bijna 13000 kinderen geboren tussen 1934 en 1944 mee, waarvan 1726 (14%) geëvacueerd werden. Significante effecten van ‘early life stress’  worden gevonden voor psychiatrische aandoeningen en sterftekans, intellectuele mogelijkheden, stress, voortplanting en arbeidshistorie. Lees verder (Ref. Pesonen & Raikkonen 2012).

Risico angststoornissen en middelengebruik Uit een Nederlands onderzoek bij een grote groep volwassen geadopteerden blijkt dat negatieve omstandigheden in de vroege jeugd effect kunnen hebben in de volwassenheid. Het blijkt dat dat slechte omstandigheden in de vroege kindertijd het risico op psychiatrische problemen in de volwassenheid verhogen, ook wanneer deze kinderen uit hun problematische omgeving gehaald zijn. Het gaat hierbij oa om angststoornissen en middelengebruik. Een eerder onderzoek bij deze groep liet al zien dat dat volwassenen die als kind in slechte omstandigheden hebben verkeerd een ander patroon van afgifte van cortisol, een stresshormoon, vertonen. (Ref. Van der Vegt 2009).

Voedselgebrek tijdens zwangerschap   Een onderzoek bij kinderen die geboren zijn tijdens of na de hogerwinter in Nederland liet zien dat voedselgebrek van de moeder voorafgaand aan de bevruchting nog effect had op haar volwassen nakomelingen. Deze bleken lagere inschattingen van geestelijke gezondheid en kwaliteit van leven te rapporteren dan de controle groep (Ref. Stein 2009). 

Chronische pijn tijdens de volwassenheid Via de Britse Birth Cohort Study werd de relatie tussen lichamelijke en geestelijke tegenslag in de jeugd en chronische pijn (CWP) in de volwassenheid onderzocht. Het bleek dat kinderen die na een verkeersongeval in het ziekenhuis opgenomen waren, kinderen uit tehuizen, kinderen die hun moeder verloren hadden en kinderen waar de familie geldproblemen had gehad een verhoogde kans op CWP hadden (Ref. Jones 2009).


Wat gebeurt er in het brein?

Witte stof, alfahersenactiviteit en psychische problematiek. Met behulp van MRI opnamen kan bepaald worden hoeveel grijze stof (zorgt voor het verwerken van informatie) en witte stof (zorgt voor communicatie tussen de zenuwcellen) zich in de hersenen bevindt. Met EEG’s kan de activiteit van bepaalde hersendelen gemeten worden. Hierbij wordt veel gebruik gemaakt van de sterkte van alfagolven (p100 en p700) om de activiteit van het brein te meten.

In het Bukarest Vroege Interventie Programma wordt geprobeerd om met MRI en EEG resultaten te verklaren waarom kinderen in tehuizen meer psychische problematiek vertonen. Door het volume van de witte en grijze stof en/of de hersenactiviteit te meten van kinderen in tehuizen en in pleeggezinnen wordt geprobeerd een verband te vinden tussen de opvoedingsomgeving van het kind en psychische problematiek. Alfahersenactiviteit is gerelateerd aan oplettendheid en het verwerken van zintuiglijke prikkels. Hoge alfa-activiteit reflecteert een verdere rijping van het brein. En wat blijkt: Volume witte stof is gekoppeld aan alfahersenactiviteit (Sheridan et al.) en dit is gekoppeld aan veilige gehechtheid en sociale vaardigheden (Almas et al.), maar ook aan ADHD (Slopen et al.) Verder lezen


Volume cerebellum
Het cerebellum is het deel in de hersenen dat vooral verantwoordelijk is voor de coordinatie van bewegingen. Het blijkt ook een taak te hebben in cognitieve processen. In een studie naar de rol van vroege verwaarlozing bij kinderen op de rijping van het cerebellum en op aspecten van cognitieve ontwikkeling bleek dat delen van het cerebellum bij verwaarloosde kinderen een kleiner volume hadden en dat kinderen met een groter volume betere resultaten hadden bij testen rond geheugen en planning (Ref. Bauer 2010).


Aangeleerd of aangeboren

Drugsgebruik Het artikel van Kendler et al. in het belangrijke tijdschrift Archives of General Psychiatrylaat zien dat het risico van drugsmisbruik door adoptiekinderen toeneemt naarmate er meer risicofactoren in het adoptiegezin zijn  en wanneer het adoptiekind een grotere genetische gevoeligheid heeft. Bij de combinatie van beide blijkt er een significante positieve interactie te bestaan: het risico wordt extra groot. Lees verder. (Ref. Kendler 2012).

Methylatie: interface tussen genen en gedrag Ervaringen in de vroege jeugd kunnen leiden tot biochemische veranderingen in chromosomen, en tot verschillen in expressie van genen. Dit bleek bij een onderzoek naar het serotonine transporter gen 5HTT  bij 143 volwassenen die als baby waren geadopteerd. De lange variant van dit gen bleek een beschermende factor tegen onverwerkt trauma, maar de bescherming verdween als er sprake was van veel methylatie in de voorloper van 5HTT. Uit eerder onderzoek was al gebleken dat ervaringen met mishandeling in de kinderjaren grote invloed heeft op methylatie, en dat de werking van 5HTT erdoor wordt afgeremd. De onderzoekers konden vaststellen dat methylatie niet alleen op genexpressie invloed heeft, maar ook gevolgen heeft voor gedrag, in dit geval de verwerking van een traumatische ervaring. Methylatie is de interface tussen genen en omgeving, tussen ervaringen in de kinderjaren en gedrag en emoties in de volwassenheid. (Ref. van IJzendoorn et al. 2010).


Gehechtheid

Sensitiviteit moeder Het type gehechtheid van een persoon hoeft geen continu gegeven te zijn. Dat bleek uit een langlopende studie van 125 op jonge leeftijd geadopteerde adolescenten, bij wie op de leeftijd van 12 maanden, 14 jaar en in de adolescentie gehechtheid van de geadopteerde en sensitiviteit van de adoptiemoeder werden gecheckt. De sensitiviteit van de moeder bleek erg belangrijk: De moeders van veilig gehechte adolescenten toonden significant meer sensitieve steun tijdens conflicten dan moeders van onveilig gehecht adolescenten. De sensitieve steun van de moeder in de vroege jeugd en de adolescentie had een voorspellende waarde voor de continuïteit van veilige gehechtheid van 1-14 jaar. Meer sensitieve steun van de moeder in de adolescentie voorspelde de verandering een onveilig gehechte baby tot een veilig gehechte adolescent (Ref. Beijersbergen et al.)

Verlegen De Schipper et al constateren dat sensitiviteit van de pleegouders bij verlegen pleegkinderen vaker tot veilige gehechtheid leidt, terwijl het bij minder verlegen kinderen geen verschil maakt. ( Ref. de Schipper 2012).

Sociale relaties Emanuel Miller Lezing: Er is een tendens om afwijkende gehechtheidspatronen te interpreteren in termen van velige/onveilige hechting. Dit is echter ernstig misleidend, want hierbij dreig je het volledige scala aan sociale relaties te missen. De heterogeniteit in de kenmerken van sociale relaties heeft consequenties voor het de meetinstrumenten die nodig zijn om een goede inschatting te maken. Sociale relaties vormen een kernaspect in de psychologische ontwikkeling en voor het begrijpen van geestelijke aandoeningen (Ref. Rutter, 2009).
Belang gehechtheid aan vader Bij thuisloze en weggelopen jongeren is gekeken naar effecten van de gehechtheid aan de vader en de moeder. Het bleek dat met name een positieve gehechtheidsrelatie met de vader leidde tot minder drugsgebruik, minder crimineel gedrag en een kortere tijd van huis. De gehechtheidsrelatie van de moeder had hierop geen effect, wel op sexueel overlevingsgedrag. Het onderzoek pleit voor meer aandacht voor de vader in gehechtheidsonderzoeken (Ref. Stein 2009).

Regulering stress en uitdaging Een onderzoek van Oosterman et al toont aan dat de gehechtheid aan pleegouders en (in mindere mate) meegemaakte verwaarlozing effect kan hebben op de mogelijkheden van kinderen om emoties als reactie op stress en uitdaging te reguleren. Dit werd gemeten aan de hand van reacties van het sympatisch en parasympatisch zenuwstelsel van het kind bij de Strange Situation test met hun pleegouders. (Ref. Oosterman 2010).

Bij Chimpansees Ook bij chimpansees is een verschil in hechting te zien tussen jongen die standaard zorg kregen, zonder extra stimulatie en jongen die 5 dagen per week 4 uur per dag extra sociaal-emotionele en communicatieve zorg kregen. De hechting van de jongen zonder zorg bleek vergelijkbaar met die van kinderen die opgroeiden in Grieks of Roemeense kindertehuizen, terwijl de extrazorg jongen minder gedisorganiseerde hechting vertoonden, grotere cognitieve ontwikkeling en minder hechting aan voorwerpen (Ref. IJzendoorn 2009).


Effecten van adoptie en pleegzorg

Vergelijking adoptie, pleegzorg en jeugdzorg. Op het ICAR4 congres, zomer 2013, presenteerde prof A. Hjern een vergelijking van jong-volwassen geadopteerden, hun siblings, voormalig pleegzorgclienten en jeugdzorgclienten met de algemene bevolking. Inkomen, werkloosheid, criminaliteit, alcohol en drugsgebruik... De voormalig pleegzorgkinderen hebben de minst positieve uitkomst. Lees verder

 
Adolescenten uit pleegzorg In maart 2009 verschenen 3 artikelen waarin het perspectief van volwassenen die uit pleegzorg zijn gekomen wordt belicht. Hierbij wordt onder andere gekeken naar het belang van stabiele plaatsingen en vrienden en het effect van goede zorg op depressies bij volwassen alumni (ref. Hyde, White, Shook 2009).

Aandachtsniveau Een artikel van Ghera et al (2009)van het Boekarest Vroege Interventie Project toont het effect van pleegzorg aan bij kinderen die uit Roemeense tehuizen komen. Het bleek dat de pleegzorgkinderen een hoger aandachtsniveau en een hoger positief affect vertoonden dan de kinderen die in de tehuizen bleven (Ref. Ghera 2009).

Pleegzorg of instituutsopvoeding voorafgaand aan adoptie Van den Dries et al vergeleken meisjes (11-16 maanden)  uit China, die vanuit een tehuis waren geadopteerd met meisjes die vanuit een pleeggezin geadopteerd waren. De kinderen werden 2 en 6 maanden na aankomst getest. Het bleek dat voormalige pleegkinderen het beter deden dan de tehuiskinderen wat betreft de cognitieve en motorische vaardigheden. De (lichte) fysieke groeiachterstanden waren vergelijkbaar bij de pleeg- en tehuiskinderen, en voor gewicht en hoofdomtrek (niet voor lengte) werd een inhaalslag gevonden. De dagelijkes cortisolafgifte was bij pleeg- en tehuiskinderen praktisch vergelijkbaar met niet-geadopteerde kinderen. De resultaten geven aan dat de pleegzorg met name bij de cognitieve en motorische ontwikkeling een voordeel opleverde voor de kinderen en minder bij de lichamelijke ontwikkeling en de hormonale stress regulatie (Ref. van den Dries 2010).

Aidswezen in pleegzorg in Kenya Het opnemen van aidswezen in een gezin wordt vaak gezien als een belasting voor pleeggezin en gemeenschap. Dit artikel van Skovdal et al, waarbij voogden en pleegkinderen (11-17jr) uit Kenya hun visie geven, geeft een beeld dat veel pleeggezinnen enorm profiteren van hun pleegkinderen, omdat die bijdragen aan het inkomen, zorgen voor ouderen, zieken en kinderen in hun huishouden. De conclusie is dat de zorg binnen het pleeggezin wederzijds is (Ref. Skovdal 2010). 

Veranderingen in opvang van kinderen De artikelen van Grant & Yeatman en Imoh vertellen hoe in Afrika verandering van sociale structuren kan leiden tot afbreuk van goede opvang van kinderen binnen de gemeenschap. Lees verder  (Ref. Grant & Yeatman 2012) (Ref. Imoh 2012) 

 
Aanpassingsvermogen van pleegkinderen Uit een Nederlands onderzoek naar factoren die het aanpassingsvermogen van pleegkinderen in het pleeggezin beïnvloeden, bleek het volgende: problemen in de geschiedenis van het kind, m.n. gehechtheidssproblematiek en aantal herplaatsingen beïnvloeden de mate van aanpassing aan de pleegfamilie. Visites van het kind aan de biologische ouders en ontbreken van toestemming van de biologische ouders voor pleegzorg, hinderden de aanpassing van het kind. In het algemeen waren problemen bij de pleegouders geen factor van belang (Ref. Strijker 2009).

Kinderen naar thuisland Een toenemend aantal (met name) Chinese emigranten zendt hun babies naar hun thuisland om opgevoed te worden door hun familieleden – een cultureel geaccepteerde traditie. De kinderen komen terug naar hun ouders om in het nieuwe land hun opleiding te volgen. In dit explorerende longitudinale onderzoek worden de effecten van deze transnationale levensvorm op kinderen en ouders bekeken (Ref.  Bohr 2009).


Medische zaken

Infecties

MRSA-besmettingen. Hagleitner en collegae vinden MRSA bacteriën bij 13% van de international geadopteerden kinderen die binnen het eerste jaar na hun adoptie regelmatig in het ziekenhuis opgenomen moeten worden. De multiresistente MRSA-bacterie is een groot probleem in ziekenhuizen. Ziekenhuisverblijf in het land van herkomst en de factor Special Needs bleken geen extra risico voor de besmetting. Omdat relatief veel adoptieouders in de gezondheidszorg werken, ligt hier een extra bron van MRSA-besmettingen binnen de gezondheidszorg. (Ref. Hagleitner 2012).

Hepatitis E Besmettingen met het Hepatitis E virus, die voorheen alleen in enkele ontwikkelingslanden voorkwamen, worden nu ook vaker beschreven in de westerse wereld als gevolg van het toegenomen reizen door bijvoorbeeld immigranten, internationale adopties en reizigers. is een leveraandoening en lijkt op hepatitis A (Ref. Senosiain 2012).

Vervroegde puberteit

Geadopteerd of geimmigreerd Een onderzoek in Spanje bij 250 kinderen met vroegtijdige puberteit toonde aan dat het risico sterk verhoogd is bij zowel binnenlands als internationaal geadopteerde kinderen. Een nauwelijks verhoogd risico werd gevonden bij immigrantenkinderen (Ref.Soriano-Guillen 2010). 

Geadopteerde meisjes en vervroegde puberteit in Denemarken Verscheidene studies hebben geconstateerd dat geadopteerde meisjes een groter risico hebben op vervroegde puberteit. In deze studie wordt dit risico vastgesteld via een klinische studie waarbij de puberteitsontwikkeling van 276 internationaal geadopteerde meisjes vergeleken wordt met niet-geadopteerde Deense meisjes. Het bleek dat 16% van de geadopteerde meisjes voor hun 8e jaar startten met borstontwikkeling. Borstontwikkeling en gemiddelde leeftijd van eerste menstruatie lag bij geadopteerde meisjes significant onder die van niet geadopteerden. Ook de puberteitshormonen bleken veel vroeger te stijgen (Ref. Teilman 2009).

Drugs 

Cocaine Het blijkt dat er geen significant effect is van blootstelling van kinderen aan cocaine tijdens de zwangerschap op de neurocognitieve ontwikkeling van kinderen tussen 9 en 13 jaar (Ref. Hurt 2009).

Screening en Vaccinaties

Om op te letten bij adoptiekinderen. Tijdens het ICAR congres in Bilbao gaf professor Laurie Miller een overzicht van medische aspecten waarop bij de medische screenings van adoptiekinderen gelet moet worden. Lees verder

Medische screening adoptiekinderen. Uit een beschrijving van oriënterend medisch onderzoek van buitenlandse adoptiekinderen in drie Nederlandse ziekenhuizen in de periode 2005-2008 bleek bij 75% van de onderzochte kinderen een of meer afwijkingen gevonden te worden; het grootste deel was goed behandelbaar of behoefde geen behandeling. Het merendeel van de kinderen had KNO- en (parasitaire) darminfecties en huidaandoeningen. Het aantal special-needskinderen steeg van 3 (2001-2004) naar 31%. Het aantal kinderen met psychomotore ontwikkelingsachterstand verminderde, hoewel de voedingstoestand verslechterde. Het aantal kinderen dat positief was getest voor MRSA in twee ziekenhuizen  was 6-14%.(Ref. Hoogenboom 2013)


In Nederland wordt het al aangeraden, maar het belangrijke tijdschrift Pediatrics publiceert nu ook een advies om pas geadopteerde kinderen te laten screenen op gezondheid. Bij geadopteerde kinderen worden bij screening vaak meerdere gezondheidsproblemen geconstateerd. (Ref. Jones 2012). 

Vaccinaties in land van herkomst Bij een gezondheidscheck na aankomst van 495 adoptiekinderen in Nederland bleek dat de gezondheid van de kinderen in het algemeen goed was, waarbij een paar kinderen ernstige aandoeningen hadden. Er werden regelmatig darmparasieten en huidproblemen gevonden en in ca 1% hepatitis B en tuberculose. Met name de kinderen uit China bleken vaak niet goed gevaccineerd te zijn (Ref. van Schaik 2009).


Ethniciteit en ras

Plaatsing Omdat de regering van Groot Brittannië recent de wettelijke richtlijnen rond overeenkomstige etniciteit bij adoptiegezinnen herzien heeft, ontspint zich opnieuw een debat rond het centraal stellen van ras, etniciteit en cultuur bij de plaatsing van adoptiekinderen. Levert het plaatsen van kinderen in gezinnen van andere etniciteit risico’s voor de geadopteerde kinderen? Zou de betekenis van ras, etniciteit en cultuur ontkend kunnen worden? Zouden blanke adoptieouders ooit de realiteit kunnen begrijpen van in de samenleving ingebouwd, of op de persoon gericht racisme? In een speciale dubbele uitgave van het tijdschrift Adoption and Fostering gaan experts in op de uitdagingen en effecten van transraciale, transetnische en transculturele plaatsingen. Lees verder vanuit een aantal artikelen uit A&F:

Ref. Hubinette & Andersson 2012 en Ref. Lind 2012: Kleurenblindheid

Ref. Ung et al. 2012: Je hebt meerdere raciale identiteiten 

Ref. Rushton et al. 2012: Dubbele identificatie

Ref. Caballero et al. 2012: Het komt in de beste families voor.


Botleeftijd
 Bij de inschatting van de botleeftijd bij kinderen moet rekening gehouden worden met raciale verschillen. Bij een vergelijkend onderzoek in Amerika bleek dat bij Aziatische en Hispaanse kinderen de botleeftijd sterk werd overschat - zij rijpen sneller dan hun Afro-Amerikaanse en blanke leeftijdsgenoten. Het verschil was het grootst bij meisjes tussen 10 en 13 jaar en bij jongens tussen 11 en 15 jaar (Ref. Zhang 2009).


Opgroeien

Opgroeien in een homosexueel of lesbisch gezin Tijdens ICAR4, 2013 presenteerde prof Susan Golombok positieve resultaten van opgroeien in een homosexueel of lesbisch gezin. Lees meer

Pesten Raaska et al. onderzochten waarom geadopteerde kinderen van 9-15 jaar in Finland gepest werden of zelf pestten. Bijna 20% bleek gepest te worden door leeftijdsgenoten, terwijl 8% zelf pestte. Bij zowel pesters als gepesten bleek vaak sprake te zijn geweest van ernstige gehechtheidsproblemen ten tijde van de adoptie. Gepeste kinderen hadden vaak een gebrek aan sociale vaardigheden; leerproblemen of problemen met de taal stonden los van pesten of gepest worden. (Ref. Raaska 2012).

Tienerzwangerschappen In Zweden is gekeken of er bij internationaal geadopteerde meisjes vaker tienerzangerschappen plaatsvonden dan bij hun leeftijdsgenoten. Dit bleek niet het geval te zijn, ondanks extra risicofactoren bij geadopteerden, zoals een vervroegde puberteit. Bij correctie voor sociaal economische status bleek tienerzwangerschap wel vaker voor te komen bij de geadopteerden, waarbij een Latijns-Amerikaanse afkomst en een latere adoptieleeftijd een risicofactor vormden (Ref. Ekeus 2009). 

Taalontwikkeling
Het tijdschrift "Topics in language disorders 29:1" levert 5 artikelen over taalontwikkeling bij buitenlands geadopteerde kinderen, waarbij zowel de leeftijd bij aankomst van het kind, als de medische toestand, de gehechtheid en het probleem van de juiste inschatting door de grote mate van variatie zijn bestudeerd (ref. Hwa-Froehlich 2009).


Adoptiefamilies

Tevredenheid en gedragsproblemen   Nalavany et al. onderzocht bij 1865 adoptie ouders de mate waarin gedragsproblemen een rol spelen bij de tevredenheid van de ouders over de adoptie van kinderen met leerproblemen. Het bleek dat een hoge mate van gedragsproblematiek (externaliserend en internaliserend) vaker optrad bij kinderen met leerstoornissen. Voor de ouders waren de gedragsproblemen lastiger dan de leerproblemen. In dit artikel worden ook implicaties voor voor- en nazorg belicht (Ref. Nalavany 2009).
 
Risico's voor kindermishandeling Grotere families, een-ouder families en families met een stiefouder vertonen meer risico’s voor kindermishandeling. Bij adoptie families wordt echter significant minder kindermishandeling gevonden dan verwacht (Ref. van IJzendoorn 2009). 

Investeren in (adoptie)kinderen Volgens een onderzoek van Gibson blijkt dat ouders meer investeren in hun geadopteerde kinderen dan in hun genetische kinderen. Dit geldt met name op het opleidings- en persoonlijke vlak. Waarschijnlijk treedt dit op omdat de geadopteerde kinderen dit ook meer nodig hebben (Ref. Gibson 2009).

Adopties uit Oost-Europa In een onderzoek van Miller zijn 50 Oost-Europese geadopteerde kinderen (leeftijd 8-10 jr) en hun ouders 5 jaar gevolgd om de risicofactoren te kunnen koppelen aan cognitieve en gedragsproblematiek en stress bij de adoptieouders (Ref. Miller 2009). 

Na vruchtbaarheidsbehandelingen Bij een groep van 1338 vrouwen die in 2000-2001 vruchtbaarheidsbehandelingen hadden ondergaan, is nagegaan in hoeverre zij na 5 jaar kinderen hadden. Het bleek dat bij bijna 70 % van de koppels minimaal een kind geboren was en bij 52 % meer dan 1 kind. Bijna 6 % van de vrouwen die een uitgebreide vragenlijst ingevuld hadden bleek een kind geadopteerd te hebben (Ref. Pinborg 2009).

Na onsuccesvolle IVF In een Zweeds artikel over echtparen die 4-5,5 jaar geleden gestopt zijn na onsuccesvolle IVF-pogingen blijkt meer dan 75% kinderen te hebben. Bijna 40% had biologisch eigen kinderen; bijna 35% had geadopteerd. De echtparen met kinderen hadden een betere kwaliteit van leven dan de echtparen die zonder kinderen gebleven waren (ref. Johansson 2009).


Volwassen

Succesfactoren bij pleegkinderen In een onderzoek naar succesvolle jong-volwassen voormalige pleegkinderen werd hen gevraagd naar 'succesfactoren'. Zij noemden gevoel van competentie, het hebben van doelen voor de toekomst, sociale ondersteuning en betrokkenheid bij maatschappelijke activiteiten (Ref. Hass, 2009). 


Pleegzorg

Matching

Een stabiele plaatsing is voor de ontwikkeling en opvoeding van jeugdigen die in een ander gezin moeten opgroeien, van wezenlijk belang. De verwachting is dat een plaatsing stabieler wordt als je vooraf beter kijkt naar de match tussen kind en zijn of haar nieuwe thuis. Het Gezinspiratieplein, het Nederlands Jeugdinstituut en het ADOC zijn samen met praktijkorganisaties het project ‘Matching’ gestart. Als eerste stap naar het ontwikkelen van een onderbouwde matchingsmethodiek heeft het ADOC een omvangrijk literatuuronderzoek gedaan. De resultaten hiervan zijn gepubliceerd in ‘Matching van langdurig uithuisgeplaatste jeugdigen aan een pleeggezin of gezinshuis, een overzicht uit de literatuur’. Literatuur alleen is niet genoeg voor een praktische handleiding bij matching. Daarom is ook gekeken naar de huidige praktijk van matching en naar wat praktijkdeskundigen belangrijk vinden voor een goede match. Het resultaat van deze praktijkinventarisatie is nu gepubliceerd.

Lees verder:

Persbericht literatuuronderzoek

Enkele resultaten uit het literatuuronderzoek

Het volledige literatuurrapport

Persbericht praktijkonderzoek

De praktijkinventarisatie

Laatst Gewijzigd: 22-01-2015