Uitgelicht

Uitgelicht uit referenties in de database.

3e kwartaal 2010

Vervroegde puberteit.Een onderzoek in Spanje bij 250 kinderen met vroegtijdige puberteit toonde aan dat het risico sterk verhoogd is bij zowel binnenlands als internationaal geadopteerde kinderen. Een nauwelijks verhoogd risico werd gevonden bij immigrantenkinderen. Ref.Soriano-Guillen .

Methylatie: interface tussen genen en gedrag. Ervaringen in de vroege jeugd kunnen leiden tot biochemische veranderingen in chromosomen, en tot verschillen in expressie van genen. Dit bleek bij een onderzoek naar het serotonine transporter gen 5HTT  bij 143 volwassenen die als baby waren geadopteerd. De lange variant van dit gen bleek een beschermende factor tegen onverwerkt trauma, maar de bescherming verdween als er sprake was van veel methylatie in de voorloper van 5HTT. Uit eerder onderzoek was al gebleken dat ervaringen met mishandeling in de kinderjaren grote invloed heeft op methylatie, en dat de werking van 5HTT erdoor wordt afgeremd. De onderzoekers konden vaststellen dat methylatie niet alleen op genexpressie invloed heeft, maar ook gevolgen heeft voor gedrag, in dit geval de verwerking van een traumatische ervaring. Methylatie is de interface tussen genen en omgeving, tussen ervaringen in de kinderjaren en gedrag en emoties in de volwassenheid. Ref. van IJzendoorn et al.


Eerste kwartaal 2010

Maart 2010 Van den Dries et al vergeleken meisjes (11-16 maanden)  uit China, die vanuit een tehuis waren geadopteerd met meisjes die vanuit een pleeggezin geadopteerd waren. De kinderen werden 2 en 6 maanden na aankomst getest. Het bleek dat voormalige pleegkinderen het beter deden dan de tehuiskinderen wat betreft de cognitieve en motorische vaardigheden. De (lichte) fysieke groeiachterstanden waren vergelijkbaar bij de pleeg- en tehuiskinderen, en voor gewicht en hoofdomtrek (niet voor lengte) werd een inhaalslag gevonden. De dagelijkes cortisolafgifte was bij pleeg- en tehuiskinderen praktisch vergelijkbaar met niet-geadopteerde kinderen. De resultaten geven aan dat de pleegzorg met name bij de cognitieve en motorische ontwikkeling een voordeel opleverde voor de kinderen en minder bij de lichamelijke ontwikkeling en de hormonale stress regulatie (Ref. van den Dries).

Februari 2010 Een onderzoek van Oosterman et al toont aan dat de gehechtheid aan pleegouders en (in mindere mate) meegemaakte verwaarlozing effect kan hebben op de mogelijkheden van kinderen om emoties als reactie op stress en uitdaging te reguleren. Dit werd gemeten aan de hand van reacties van het sympatisch en parasympatisch zenuwstelsel van het kind bij de Strange Situation test met hun pleegouders. (Ref. Oosterman).

Januari 2010 Via inventarisatie van medicijngebruik heeft Lindblad et al. bestudeerd of ADHD meer voorkomt bij internationaal geadopteerden dan bij de algemene bevolking. Het bleek dat zowel internationaal geadopteerde meisjes (2.1 vs. 0.3% voor 10-15-jarigen) als jongens (5.3 vs. 1.5% voor 10-15-jarigen) meer ADHD-medicatie gebruikten dan de vergelijkbare algemene bevolking. Het gebruik bleek met name hoog te zijn bij geadopteerden uit Oost-Europa, het Midden-Oosten en Afrika en Latijns Amerika, waarbij kinderen uit Oost-Europa een heel hoog risico lopen. Kinderen uit andere regio’s lopen een gematigd hoger risico dan hun niet-geadopteerde leeftijdsgenoten.  De leeftijd bij de adoptie bleek ook een factor van belang (Ref. Lindblad). Het cerebellum is het deel in de hersenen dat vooral verantwoordelijk is voor de coordinatie van bewegingen. Het blijkt ook een taak te hebben in cognitieve processen. In een studie naar de rol van vroege verwaarlozing bij kinderen op de rijping van het cerebellum en op aspecten van cognitieve ontwikkeling bleek dat delen van het cerebellum bij verwaarloosde kinderen een kleiner volume hadden en dat kinderen met een groter volume betere resultaten hadden bij testen rond geheugen en planning (Ref. Bauer)

Als gevolg van de HIV/AIDS pandemie zijn er ca 12 miljoen wezen in Afrika zuidelijk van de Sahara. De meeste zijn opgenomen in hun grootfamilie maar een deel is in tehuizen opgevangen. In dit onderzoek zijn interviews afgenomen met kinderen in tehuizen in Botswana om na te gaan hoe zij dit beleven. De kinderen geven aan dat voedsel, onderdak, scholing en het gevoel ergens bij te horen belangrijk zijn. Ze vertonen echter sterke ambivalentie ten aanzien van hun verzorgers en medebewoners. Ze missen hun siblings en familie en voelen zich afgesneden van hun gemeenschap (Ref. Morantz).

Het opnemen van aidswezen in een gezin wordt vaak gezien als een belasting voor pleeggezin en gemeenschap. Dit artikel van Skovdal et al, waarbij voogden en pleegkinderen (11-17jr) uit Kenya hun visie geven, geeft een beeld dat veel pleeggezinnen enorm profeteren van hun pleegkinderen, omdat die bijdragen aan het inkomen, zorgen voor ouderen, zieken en kinderen in hun huishouden. De conclusie is dat de zorg binnen het pleeggezin wederzijds is (Ref. Skovdal).


Vierde kwartaal 2009

December 2009   Nalavany et al. onderzocht bij 1865 adoptie ouders de mate waarin gedragsproblemen een rol spelen bij de tevredenheid van de ouders over de adoptie van kinderen met leerproblemen. Het bleek dat een hoge mate van gedragsproblematiek (externaliserend en internaliserend) vaker optrad bij kinderen met leerstoornissen. Voor de ouders waren de gedragsproblemen lastiger dan de leerproblemen. In dit artikel worden ook implicaties voor voor- en nazorg belicht (Ref. Nalavany).


November 2009 Uit een Nederlands onderzoek naar factoren die het aanpassingsvermogen van pleegkinderen in het pleeggezin beïnvloeden, bleek het volgende: problemen in de geschiedenis van het kind, m.n. gehechtheidssproblematiek en aantal herplaatsingen beïnvloeden de mate van aanpassing aan de pleegfamilie. Visites van het kind aan de biologische ouders en ontbreken van toestemming van de biologische ouders voor pleegzorg, hinderden de aanpassing van het kind. In het algemeen waren problemen bij de pleegouders geen factor van belang (Ref. Strijker). Het blijkt dat er geen significant effect is van blootstelling van kinderen aan cocaine tijdens de zwangerschap op de neurocognitieve ontwikkeling van kinderen tussen 9 en 13 jaar (Ref. Hurt)

Oktober2009 Verscheidene studies hebben geconstateerd dat geadopteerde meisjes een groter risico hebben op vervroegde puberteit. In deze studie wordt dit risico vastgesteld via een klinische studie waarbij de puberteitsontwikkeling van 276 internationaal geadopteerde meisjes vergeleken wordt met niet-geadopteerde Deense meisjes. Het bleek dat 16% van de geadopteerde meisjes voor hun 8e jaar startten met borstontwikkeling. Borstontwikkeling en gemiddelde leeftijd van eerste menstruatie lag bij geadopteerde meisjes significant onder die van niet geadopteerden. Ook de puberteitshormonen bleken veel vroeger te stijgen (Ref. Teilman). Grotere families, een-ouder families en families met een stiefouder vertonen meer risico’s voor kindermishandeling. Bij adoptie families wordt echter significant minder kindermishandeling gevonden dan verwacht (Ref. van IJzendoorn). Een onderzoek bij kinderen die geboren zijn tijdens of na de hogerwinter in Nederland liet zien dat voedselgebrek van de moeder voorafgaand aan de bevruchting nog effect had op haar volwassen nakomelingen. Deze bleken lagere inschattingen van geestelijke gezondheid en kwaliteit van leven te rapporteren dan de controle groep (Ref. Stein).

Derde kwartaal 2009

September 2009 Uit een Nederlands onderzoek bij een grote groep volwassen geadopteerden blijkt dat negatieve omstandigheden in de vroege jeugd effect kunnen hebben in de volwassenheid. Het blijkt dat dat slechte omstandigheden in de vroege kindertijd het risico op psychiatrische problemen in de volwassenheid verhogen, ook wanneer deze kinderen uit hun problematische omgeving gehaald zijn. Het gaat hierbij oa om angststoornissen en middelengebruik. een eerder onderzoek bij deze groep liet al zien dat dat volwassenen die als kind in slechte omstandigheden hebben verkeerd een ander patroon van afgifte van corisol, een stresshormoon, vertonen. (Ref. Van der Vegt; Ref Van der Vegt)

Augustus 2009 Bij een gezondheidscheck na aankomst van 495 adoptiekinderen in Nederland bleek dat de gezondheid van de kinderen in het algemeen goed was, waarbij een paar kinderen ernstige aandoeningen hadden. Er werden regelmatig darmparasieten en huidproblemen gevonden en in ca 1% hepatitis B en tuberculose. Met name de kinderen uit China bleken vaak niet goed gevaccineerd te zijn (Ref. van Schaik)

Juli 2009 In een onderzoek van Miller zijn 50 Oost-Europese geadopteerde kinderen (leeftijd 8-10 jr) en hun ouders 5 jaar gevolgd om de risicofactoren te kunnen koppelen aan cognitieve en gedragsproblematiek en stress bij de adoptieouders. (Ref. Miller). Verschillende publicaties zijn uitgekomen naar aanleiding van het Boekarest vroege interventie project, waarbij een vergelijking wordt gemaakt tussen kinderen die in een tehuis opgroeien en kinderen die vanuit dit tehuis in pleeggezinnen zijn opgenomen. Deze pleeggezinnen werden intensief getrained op op de ondersteuning van de kinderen. (Ref. Smyke). In het onderzoek wordt gekeken in hoeverre vroege negatieve ervaringen een effect hebben op de ontwikkeling van kinderen en in hoeverre latere positieve ervaringen hierop van invloed kunnen zijn (Ref. Zeanah) Uit een onderzoek naar psychiatrische aandoeningen bij de kinderen blijkt dat deze veel vaker voorkomen bij kinderen met een tehuisgeschiedenis dan bij kinderen die niet in een tehuis verbleven hebben. Wanneer de jonge kinderen uit het tehuis in pleegzorg zijn opgenomen, vermindert internaliserende problematiek significant, maar bij meisjes beduidend meer dan bij jongens (Ref. Zeanah).

Tweede Kwartaal 2009

Juni 2009 In Zweden is gekeken of er bij internationaal geadopteerde meisjes vaker tienerzangerschappen plaatsvonden dan bij hun leeftijdsgenoten. Dit bleek niet het geval te zijn, ondanks extra risicofactoren bij geadopteerden, zoals een vervroegde puberteit. Bij correctie voor sociaal economische status bleek tienerzwangerschap wel vaker voor te komen bij de geadopteerden, waarbij een Latijns-Amerikaanse afkomst en een latere adoptieleeftijd een risicofactor vormden (Ref. Ekeus). Een toenemend aantal (met name)  Chinese emigranten zendt hun babies naar hun thuislandom opgevoed te worden door hun familieleden – een cultureel geaccepteerde traditie. De kinderen komen terug naar hun ouders om in het nieuwe land hun opleiding te volgen. In dit explorerende longitudinale onderzoek worden de effecten van deze transnationale levensvorm op kinderen en ouders bekeken (Ref.  Bohr).

Mei 2009 Volgens een onderzoek van Gibson blijkt dat ouders meer investeren in hun geadopteerde kinderen dan in hun genetische kinderen. Dit geldt met name op het opleidings- en persoonlijke vlak. Waarschijnlijk treedt dit op omdat de geadopteerde kinderen dit ook meer nodig hebben (Ref. Gibson).
Emanuel Miller Lezing: Er is een tendens om afwijkende gehechtheidspatronen te interpreteren in termen van velige/onveilige hechting. Dit is echter ernstig misleidend, want hierbij dreig je het volledige scala aan sociale relaties te missen. De heterogeniteit in de kenmerken van sociale relaties heeft consequenties voor het de meetinstrumenten die nodig zijn om een goede inschatting te maken. Sociale relaties vormen een kernaspect in de psychologische ontwikkeling en voor het begrijpen van geestelijke aandoeningen (Ref. Rutter). Bij de inschatting van de botleeftijd bij kinderen moet rekening gehouden worden met raciale verschillen. Bij een vergelijkend onderzoek in Amerika bleek dat bij Aziatische en Hispaanse kinderen de botleeftijd sterk werd overschat - zij rijpen sneller dan hun Afro-Amerikaanse en blanke leeftijdsgenoten. Het verschil was het grootst bij meisjes tussen 10 en 13 jaar en bij jongens tussen 11 en 15 jaar (Ref. Zhang). Via de Britse Birth Cohort Study werd de relatie tussen lichamelijke en geestelijke tegenslag in de jeugd en chronische pijn (CWP) in de volwassenheid onderzocht. Het bleek dat kinderen die na een verkeersongeval in het ziekenhuis opgenomen waren, kinderen uit tehuizen, kinderen die hun moeder verloren hadden en kinderen waar de familie geldproblemen had gehad een verhoogde kans op CWP hadden (Ref. Jones).


April 2009 Bij een groep van 1338 vrouwen die in 2000-2001 vruchtbaarheidsbehandelingen hadden ondergaan, is nagegaan in hoeverre zij na 5 jaar kinderen hadden. Het bleek dat bij bijna 70 % van de koppels minimaal een kind geboren was en bij 52 % meer dan 1 kind. Bijna 6 % van de vrouwen die een uitgebreide vragenlijst ingevuld hadden bleek een kind geadopteerd te hebben (Ref. Pinborg). Bij thuisloze en weggelopen jongeren is gekeken naar effecten van de gehechtheid aan de vader en de moeder. Het bleek dat met name een positieve gehechtheidsrelatie met de vader leidde tot minder drugsgebruik, minder crimineel gedrag en een kortere tijd van huis. De gehechtheidsrelatie van de moeder had hierop geen effect, wel op sexueel overlevingsgedrag. Het onderzoek pleit voor meer aandacht voor de vader in gehechtheidsonderzoeken (Ref. Stein). In een onderzoek naar succesvolle jong-volwassen voormalige pleegkinderen werd hen gevraagd naar 'succesfactoren'. Zij noemden gevoel van competentie, het hebben van doelen voor de toekomst, sociale ondersteuning en betrokkenheid bij maatschappelijke activiteiten (Ref. Hass). 


Eerste Kwartaal 2009

Maart 2009 In de artikelen over pleegzorg die begin maart verschenen zijn, vinden we 3 artikelen waarin het perspectief van volwassenen die uit pleegzorg zijn gekomen wordt belicht. Hierbij wordt onder andere gekeken naar het belang van stabiele plaatsingen en vrienden en het effect van goede zorg op depressies bij volwassen alumni (ref. Hyde, White, Shook). Het tijdschrift "Topics in language disorders 29:1" levert 5 artikelen over taalontwikkeling bij buitenlands geadopteerde kinderen, waarbij zowel de leeftijd bij aankomst van het kind, als de medische toestand, de gehechtheid en het probleem van de juiste inschatting door de grote mate van variatie zijn bestudeerd (ref. Hwa-Froehlich, Glennen, Ladage, Roberts, Wilson). In een Zweeds artikel over echtparen die 4-5,5 jaar geleden gestopt zijn na onsuccesvolle IVF-pogingen blijkt meer dan 75% met kinderen te leven of dit gedaan te hebben. Bijna 40% had biologisch eigen kinderen; bijna 35% had geadopteerd. De echtparen met kinderen hadden een betere kwaliteit van leven dan de echtparen die zonder kinderen gebleven waren (ref. Johansson). Ook bij chimpansees is een verschil in hechting te zien tussen jongen die standaard zorg kregen, zonder extra stimulatie en jongen die 5 dagen per week 4 uur per dag extra sociaal-emotionele en communicatieve zorg kregen. De hechting van de jongen zonder zorg bleek vergelijkbaar met die van kinderen die opgroeiden in Grieks of Roemeense kindertehuizen, terwijl de extrazorg jongen minder gedisorganiseerde hechting vertoonden, grotere cognitieve ontwikkeling en minder hechting aan voorwerpen (Ref. IJzendoorn). Een artikel van Ghera et al van het Boekarest Vroege Interventie Project toont het effect van pleegzorg aan bij kinderen die uit Roemeense tehuizen komen. Het bleek dat de pleegzorgkinderen een hoger aandachtsniveau en een hoger positief affect vertoonden dan de kinderen die in de tehuizen bleven.

Laatst Gewijzigd: 07-10-2010