Angst en depressie: overeenkomsten en verschillen in de hersenen
Angst en depressie zijn tot nu toe voornamelijk als aparte psychiatrische stoornissen onderzocht, terwijl ze vaak in combinatie met elkaar voorkomen. Marie-José van Tol onderzocht of bij angst en depressie overlap bestaat in de activiteit en het volume van hersendelen. Die is er, maar beide stoornissen worden ook gekenmerkt door unieke herseneigenschappen. Cum laude promotie op 26 mei.
Depressie, angst en comorbide stoornis in één studie
Ongeveer 30% van de mensen met een depressie lijdt ook aan een angststoornis (bijvoorbeeld een sociale angststoornis, een paniekstoornis of een gegeneraliseerde angststoornis); de helft van de mensen met een angststoornis maakt (ooit) ook een depressieve periode door. Een combinatie van angst en depressie wordt een ‘comorbide stoornis’ genoemd. Er is door middel van het maken van hersenscans met een MRI-scanner al veel onderzoek gedaan naar mensen met een depressie en naar mensen met een angststoornis, maar ze zijn nooit samen in één studie betrokken met ook nog de groep met een comorbide stoornis. Dat deed Van Tol, naast uitgebreide literatuurstudie, wel.
Gedeelde en unieke afwijkingen
Van Tol vond in de literatuur dat depressie en angst afwijkingen in de hersens lijken te delen. Dat zou de hoge comorbiditeit kunnen verklaren. Van Tol vond voor het eerst bewijs dat mensen met angst en depressie ook daadwerkelijk abnormaliteiten delen, bijvoorbeeld een verminderd volume van het deel van de cingulaire schors (de rostrale anterieure cingulaire schors) dat belangrijk is voor het reguleren van emoties. Daarnaast zijn angst en depressie elk verbonden aan unieke afwijkingen in het volume in bepaalde delen van de hersenen.
Geen slechter geheugen
In haar eigen onderzoek keek Van Tol of mensen met een depressie en een angststoornis positieve dan wel negatieve informatie anders verwerken en onthouden. Het bleek dat het geheugen van deze mensen niet slechter werkt, maar dat ze positieve informatie minder snel incorporeren dan mensen zonder stoornis. Ten grondslag hieraan ligt een verminderde activiteit van de hippocampus.
Stoornis in remissie
Opvallend was dat het effect ook optrad bij mensen die op dat moment geen last hadden van hun (comorbide) stoornis. Dit zou erop kunnen duiden dat mensen kwetsbaar blijven voor terugval. Verder was het effect er onafhankelijk van de ernst van de stoornissen en het al dan niet gebruiken van medicijnen. Bij de verwerking van negatieve informatie was er geen verschil in de hippocampus te zien tussen mensen met en zonder stoornis. Wel zijn er aanwijzingen dat negatieve gebeurtenissen een depressieve stemming nog eens extra neerwaarts kunnen beïnvloeden, aangezien het verwerken van negatieve informatie gepaard ging met een verhoogde activiteit in de amygdala.
Meer hersenactiviteit voor zelfde prestatie
Van Tol bestudeerde ook het functioneren van de prefrontale schors tijdens het uitvoeren van een niet-emotionele, cognitieve taak; aangenomen wordt dat depressieve mensen tekort schieten in uitvoerende functies als aandacht houden en verdelen, het actief onderdrukken van storende informatie uit de omgeving en het maken en uitvoeren van plannen. De resultaten tonen aan dat mensen met een depressie de dorsolaterale prefrontale schors meer activeren om tot eenzelfde prestatie te komen als mensen zonder stoornis. Bij mensen die op dat moment geen last hadden van de symptomen van de depressie, mensen met een comobide stoornis en mensen met alleen een angststoornis, was de toegenomen activiteit niet waarneembaar.
Slecht werkende koppeling
Van Tol berekende ook de correlatie tussen de activiteit van alle gebieden in het brein van medicatievrije mensen met een depressieve stoornis, maar zonder angststoornis, en een gezonde controlegroep. De resultaten wijzen uit dat ook bij mensen met een depressie de koppeling tussen de frontale schors en subcorticale structuren minder goed werkt. Dit lijkt verband te houden met het verwerken van positieve informatie. Het zou goed kunnen dat de stemming niet meer positief beïnvloed wordt door plezierige dingen, omdat de structuren niet optimaal communiceren.
Emotionele mishandeling en persoonlijkheidsfactoren
Al eerder werd bekend dat Van Tol had gevonden dat emotionele mishandeling in de jeugd leidt tot stress die op zijn beurt het achterblijven van de groei van de mediaal prefrontale schors veroorzaakt. Hierdoor is de kans op depressie en angststoornissen in het latere leven mogelijk groter dan bij kinderen die niet emotioneel mishandeld zijn.
Tenslotte heeft Van Tol ook gevonden dat bij gezonde, meer extraverte mensen het volume van specifieke delen van de hersenen, de amygdala en de orbitofrontale schors, groter zijn dan bij minder extraverte mensen.
Deze bevindingen geven inzicht in hoe factoren als persoonlijkheid en vroeg-emotionele ervaringen de kans op het ontwikkelen van een depressieve of angststoornis vergroten.
De studie van Marie-José van Tol is onderdeel van een groter onderzoek, de Nederlandse Studie naar Depressie en Angst (NESDA), uitgevoerd door de universitair medische centra van Leiden en Groningen en de Vrije Universiteit in Amsterdam. In dit MRI-onderzoek is een zeer grote populatie van 301 patiënten betrokken.
(31 mei 2011/Marie-José van Tol en Corine Hendriks)
Links
-
Onderzoeksgebied Brain function and dysfunction over the lifespan
-
Geneeskunde studeren in Leiden
-
Psychologie studeren in Leiden, bachelor, master en researchmaster